Volière pagina

Voliere Logo


Er is maar één alternatief ei
(verkort)

Pluimveehouderij 31e jaargang 13 juli 2001

Hans Bijleveld

Introductie

De Europese richtlijn tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen van 19 juli 1999 is vooral bekend, omdat deze richtlijn de huidige (traditionele) legbatterij verbiedt met ingang van 1 januari 2012. De richtlijn beschrijft minimumnormen waaraan de huisvesting van legkippen moet voldoen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen drie huisvestingssystemen:

alternatieve systemen (met of zonder uitloop)
niet-aangepaste kooien
aangepaste kooien

Waar we in de huidige situatie twee soorten alternatieve huisvesting hebben (al dan niet met uitloop of uitloop extensief), spreekt de EU richtlijn nog maar over één alternatief huisvestingssysteem met loslopende kippen (al dan niet met uitloop). Het huidige scharrelsysteem en het volièresysteem worden daarmee als één huisvestingssysteem beschouwd. Twee vragen, die veel pluimveehouders al geruime tijd bezighouden (overigens al veel langer dan het bekend worden van de Europese richtlijn voor leghennen) zijn:

Wanneer vindt de samenvoeging van scharrel en volièrehuisvesting plaats?
Verdwijnt met de samenvoeging van scharrel- en volièrehuisvesting het onderscheid tussen beide soorten eieren?
Al behoorlijk ver met de Nederlandse regels

De eerste vraag is eenvoudig te beantwoorden. Met de Europese richtlijn van de Raad van landbouwministers zijn het scharrelsysteem en het volièresysteem per 1 januari 2002 één systeem geworden. Vanaf dat tijdstip moeten alternatieve huisvestingssystemen die vanaf die datum nieuw zijn gebouwd, verbouwd of voor het eerst in gebruik worden genomen voldoen aan bepaalde, in de richtlijn beschreven minimumeisen. Na een overgangstermijn van 5 jaar, dus vanaf 1 januari 2007 moeten alle systemen aan die minimumeisen voldoen.

De vraag mag dan eenvoudig te beantwoorden zijn, toch zijn er nog wel wat kanttekeningen te plaatsen. De Europese richtlijn schrijft voor dat de lidstaten van de Europese Unie ervoor moeten zorgen, dat ze uiterlijk per 1 januari 2002 de richtlijn in nationale regelgeving hebben vastgelegd, met inbegrip van eventuele sancties. Daar is Nederland hard mee bezig. Er is verschillende keren informatief overleg geweest tussen de ambtenaren van het ministerie van LNV, vertegenwoordigers van de pluimveesector (PVE en NOP) en de Dierenbescherming. Ook zijn de bouwers van stalsystemen een keer uitgenodigd voor een gesprek met de ambtenaren. Er valt ook heel wat te bespreken, want de Europese richtlijn licht niet alles nader toe. Zoals het strooisel. De richtlijn zegt daar niets over. Moet dat zaagsel zijn, of haverdoppen, of ...? En de uitloop? De richtlijn zegt wel iets over de grootte van de uitloopopeningen en dat de uitloop moet zijn voorzien van beschutting tegen slecht weer en tegen roofdieren, maar niets over de grootte van de uitloop. Uit de besprekingen over de handelsnormen eieren, die nu plaats vinden in Europa, lijkt een oppervlakte naar voren te komen van tenminste 4 m2 / kip. Daarmee vervalt het onderscheid dat nu wordt gemaakt tussen uitloop (2,5 m2/kip) en uitloop extensief (uitloop 10 m2 / kip).

Minister Brinkhorst van LNV is al behoorlijk ver met de Nederlandse regelgeving. Volgens een betrokken ambtenaar heeft de landbouwminister zijn collega's in de ministerraad een voorstel voorgelegd voor een besluit "houdende de regels voor de huisvesting en verzorging van leghennen". Wanneer de ministerraad instemt met dit leghennenbesluit, legt minister Brinkhorst dit besluit te advies voor aan de Raad van State, die beoordeelt of het juridisch allemaal klopt. Vervolgens zal de minister een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) eventueel na aanpassing op advies van de Raad van State, voorleggen aan de Tweede Kamer. Stemt de Kamer ermee in, dan wordt dat de Nederlandse regelgeving voor de huisvesting en verzorging van leghennen. De Kamer heeft bij een AMvB niet de mogelijkheid tot amenderen, dus tot wijzigen. De Kamer is het er wel of niet mee eens. Wanneer de Kamer onoverkomelijk bezwaren heeft, moet de minister de AMvB terugnemen en met een wetsontwerp komen, dat vervolgens door de Kamer op onderdelen kan worden gewijzigd. Indien deze weg wordt bewandeld kan 1 januari 2002 verstreken zijn voordat Nederlandse wetgeving een feit is.

Scharrelei uit volière? Handelsnormen bepalend

De tweede vraag is: als die Nederlandse regelgeving voor leghennen een feit is, mogen dan ook scharreleieren worden geproduceerd in wat nu nog volièrehuisvesting heet? Ofwel verdwijnt per 1 januari 2002 het volière-ei en houden we het scharrelei over als enige alternatieve ei?

Het antwoord hangt samen met de EU-handelsnormenverordeningen voor eieren. Dit zijn verordeningen die onder meer voorschrijven welke soorten eieren er zijn, onder welke voorwaarden die op de markt mogen worden gebracht. Op dit moment is er een EU-handelsnormenverordening uit 1990, opgesteld door de EU -Raad van landbouwministers en een EU-handelsnormenverordening van 1991 opgesteld door de Europese Commissie. De verordening van de Raad regelt de hoofdlijnen, die van Europese Commissie regelt de details en de uitvoering van de Raadsverordening.

Tot 19 juli 1999 kende de Europese Unie geen richtlijn voor alternatieve huisvesting van leghennen. Er was alleen een richtlijn "houdende minimum eisen voor legkippen". Deze schreef een minimumoppervlakte per hen voor en bevatte regels voor de bodemhelling en de hoogte van de kooien. Specifieke zaken voor alternatieve huisvesting waren (zijn) geregeld in de handelsnormenverordeningen. De handelsnormen beschrijven nu vijf soorten eieren:

  1. batterijeieren
  2. scharreleieren
  3. volière-eieren
  4. eieren uit vrije uitloop
  5. eieren uit vrije uitloop extensief

Voor eieren van biologische kippen bestaat sinds augustus 1999 een aparte Europese richtlijn.

Het is duidelijk, dat wanneer de richtlijn voor de huisvesting van leghennen is gewijzigd, ook de handelsnormen voor eieren moeten worden veranderd en dat het met elkaar in overeenstemming moet worden gebracht. Bij voorkeur met dezelfde ingangsdatum. Dat is ook het streven. Het zogeheten "beheerscomité voor pluimvee en eieren" is al enige tijd bezig met veranderingen van de handelsnormen.

Indien voor volière-eieren geen overgangstermijn wordt opgenomen in de nieuwe handelsnormenverordening, betekent dit dat het volière-ei verdwijnt zodra nieuwe regelgeving (huisvestingsregels en handelsnormen) van kracht wordt. Het lijkt praktischer dat nog volière-eieren mogen worden geproduceerd, zo lang bestaande volièrestallen nog niet aan de nieuwe huisvestingsregels voor alternatieve systemen hoeven te voldoen, dus tot 1 januari 2007. Het Productschap heeft dit in zijn brief aan de Europese Commissie wel bepleit. Het is nu nog even wachten op een echte duidelijkheid.

Huidige regels minimumeisen alternatieve huisvesting legkippen

SCHARRELKIPPENHOUDERIJ

Grondoppervlakte: maximaal 7 hennen / m2
Scharrelruimte: 1/3 van de grondoppervlakte met strooisel
Mestbak: 1/4 van de grondoppervlakte
Zitstokken: tenminste 15 cm / kip
Drinkwater: open bakken / goten
Licht: daglicht, min 10 lux; er mag tot max 17 uur worden bijverlicht
Mechanische ventilatie is toegestaan

VOLIÈREKIPPENHOUDERIJ

Grondoppelrvlakte: maximaal 25 hennen / m2
Totale oppervlakte: maximaal 10 hennen / m2 (incl. legnesten en aanvliegplateaus)
Scharrelruimte: 1/3 van de grondoppervlakte met strooisel
Mestbak: 1voldoende groot
Zitstokken: tenminste 15 cm / kip
Drinkwater: open bakken / goten
Licht: daglicht, min 10 lux; er mag tot max 17 uur worden bijverlicht
Toekomstige regels minimumeisen alternatieve huisvesting legkippen

De EU-richtlijn van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen schrijft voor alternatieve huisvestingssystemen voor dat alle houderijvoorzieningeen zodanig moeten zijn uitgerust dat alle legkippen vanaf 1 januari 2007 beschikken over:

  1. een voerbaklengte van ten minste 10 cm per dier bij langwerpige voederbakken of tenminste 4 cm bij ronde voederbakken.
  2. een drinkbaklengte van 2,5 cm / dier bij continu werkende drinkgoten of 1 cm bij ronde drinkbakken of één drinknippel of één drinkbakje / 10 kippen, waarbij tenminste 2 drinknippels of drinkbakjes voor elke kip bereikbaar moeten zijn.
  3. ten minste één nest / 7 legkippen of - bij gebruik van gemeenschappelijke nesten - ten minste 1  m2 nestruimte voor ten hoogste 120 kippen.
  4. ten minste 15 cm zitstokruimte / kip. Zitstokken mogen geen scherpe randen hebben en mogen niet boven het strooisel zijn aangebracht. De horizontale afstand tussen de zitstokken moet ten minste 30 cm bedragen en de afstand tussen de zitstok en de wand moet ten minste 20 cm zijn.
  5. ten minste een oppervlakte van 250 cm2 bedekt met strooisel per kip, waarbij ten minste 1/3 van het grondoppervlak met strooisel is bedekt.

De bodem van de voorzieningen moet alle naar voren gerichte tenen van beide poten behoorlijk kunnen steunen. Voor houderijsystemen, waarbij de legkippen zich vrij tussen de verschillende niveaus kunnen verplaatsen:

is het aantal niveaus beperkt tot 4.
moet de vrije hoogte tussen de niveaus ten minste 45 cm bedragen
moeten de voer- en drinksystemen zo verdeeld zijn, dat alle kippen er gelijke toegang toe hebben.
moeten de niveaus zo geïnstalleerd zijn dat de uitwerpselen niet op de daaronder gelegen niveaus kunnen terechtkomen.

De bezetting mag niet meer dan 9 kippen / m2 bruikbare oppervlakte bedragen. Indien de bruikbare oppervlakte gelijk is aan het beschikbare vloeroppervlak, kunnen lidstaten t/m 31 december 2011 een bezetting van 12 kippen / m2 beschikbare oppervlakte toestaan voor de houderijen die dit systeem op 3 augustus 1999 toepassen. Het bruikbare oppervlakte is een ten minste 30 cm breed oppervlak met een helling van ten hoogste 14 % met daarboven een vrije ruimte van 45 cm hoog. Nestoppervlakten worden niet tot de bruikbare oppervlakte gerekend.

Nieuwgebouwde, verbouwde of voor het eerst in gebruik genomen houderijsystemen moeten vanaf 1 januari 2002 ten minste aan bovengenoemde eisen voldoen.